De asielzoeker, een getuigenis.

Op de tonen van Arabische Goden hoor ik hem schreeuwen. Rode ogen, een vuist op de tafel, een stem die breekt,
een man kromgebogen staat in zijn kantoor. Ingehouden als een nat nitroglycerine blokje, dat maar één schokje nodig heeft om tot ontploffing te komen.
‘Geef me een toekomst, een job, een leven, stuur me terug naar land van oorsprong, mijn land, het kan me niet meer schelen, geef me alsjeblief mijn identiteit
en mijn leven terug. Ik ben nog jong, nu wil ik mijn leven maken, opbouwen, werken whatever!’

De machteloosheid staat hem in zijn ogen te lezen, vlakbij de grens met razernij. ‘Ik wens niet meer als een kamerplant voor het venster van dit vervloekte centrum te wachten tot ik leegbloed, tot mijn ziel helemaal wegrot!’

Zo sprak Iman, mijn pupil, mijn maatje. Ik ben terug in het asielcentrum om er afscheid te nemen na mijn bruusk en licht gedwongen vertrek. Ik was te enthousiast, te betrokken, ik geloofde in verandering maar alles bleef hetzelfde of werd erger. Het systeem van opvang werd meer en meer een back-to-basic en een sturen zonder richting. Veel hangt af van de kapitein van het schip en hier was duidelijk geen kapitein meer aanwezig, ook op politiek niveau werd de kapitein een bureaucraat die een visie van papier doorgaf en door de grote afstand de mens -en zijn kwaliteiten- vergat.

Iman slaat nogmaals met zijn vuist op tafel in de kantoorruimte. Een ruimte waar  begeleiders zich achter een digitale wereld kunnen verstoppen en onder zachte dwang analyses en verslagen typen met geuten koffie. Cafeïne bijschenken om zo toch maar even niet te moeten werken met mensen die ze geen toekomst kunnen bieden. Daar in die ruimte is hij binnengedrongen, heeft hij zich neergezet en besloten om niet meer op te staan voor men hem een degelijke oplossing aanbiedt.  Iman woont hier al enkele jaren en wacht. Hij wil weg. Hij wil leven. Hij zei nooit veel, hij kwam enkel voor een praatje, om wat nieuwe woorden te leren. Hij wilde de taal hier kennen, zodat hij beter begreep hoe heel die procedure in elkaar zit. Nu voelt hij zich bedrogen.

Weg kan hij niet, naar Palestina terug doet men niet, wel naar het land waar hij vandaan kwam ‘Reab’ noemt men dat, een ‘vrijwillige’ terugkeer. Libanon in zijn geval, hij is er opgegroeid in een vluchtelingenkamp en heeft geen politieke argumenten die van belang zijn om de gedateerde conventie van Genève te doen gelden. Geen recht op tijdelijk verblijf en een hele resem advocaten die dit randgeval liever kwijt zijn dan rijk. Nu na meer dan twee jaar op zoek naar evolutie in een dossier dat rotsvast zit, ziet hij het even allemaal niet meer ziet zitten, ik tracht mijn arm om hem heen te slaan, begrip te tonen voor wat niet begrijpbaar is.

Een van de begeleiders, hij die mijn plaats ingenomen heeft stapt resoluut op hem af.
‘Het enige dat we u nog kunnen aanbieden is een terugreis naar Libanon’.
‘Neen!’ schreeuwt hij: ‘ik wil niet naar daar, mijn bloed ademt Palestina, Palestina is mijn vader en moeder, mijn naam’.  Hij roept nogmaals terwijl de centrumleiding achter de pc wegkruipt en denkt, ‘negeren en politie bellen’.

‘Stuur me naar Palestina, laat me naar daar gaan of ik sla hier alles kort en klein! Ik heb niets meer, ik heb niets meer te vrezen, mijn brein is op, mijn hart is zwart, ik wil weg!’

Bijna twee uur, ik moet afscheid nemen, straks begint het team met de vergadering en anders ga ik me weer moeien. Ik geef Iman een hand, sterk, hij trekt zich recht met de laatste krachten in zijn lijf, we pakken elkaar vast, hij vloekt nog even binnensmonds, ‘waarom vertrekken alle goede assistenten en blijven alle slechten in dit rattenhol?’ Ik wens hem sterkte op zijn weg. Zowel hij als ik beseffen dat het tijd is om te vertrekken, beiden. Ik veilig naar huis, hij naar God weet waar. Als ik me omdraai zie ik de politie binnenkomen, ik vloek, ze kijken me aan, ik vertrek, ik kan hier niets meer doen. Ze zullen hem meenemen, hij is te opstandig, het systeem heeft hem zo ver gedreven, nu neemt men hem mee, vastgemaakt,  in de combi naar de cel, waarna waarschijnlijk terug naar Libanon.

Later belde hij me op. Na vier uur zette men hem terug op straat.
Staatloos zonder identiteit met een doodse blik voor zich uit en nog steeds op de dool.

 

Mei 2005

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

captcha: *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>