Raoul

Door Laat een reactie achter

 
Verhaal over mijn grootvader als ‘Amateurzanger’

Toen ik nog te klein was om me zorgen te maken over pietluttigheden, hield ik me bezig met veel groter vragen en mysteries. Deze waren er in overvloed bij mijn grootouders.

De kamer waar ik sliep had iets mysterieus, eerst moest ik smalle stenen kronkelendetrappen op en voor ik het vertrek betrad moest ik mijn vingers duwen in één of ander helend wijwatervat met een huilende ‘Moeder Maria’ erboven.

Binnen links tegen de muur stond het oude bed van mijn overgrootmoeder, Grote Bobonne. ‘Geen gemakkelijke’ vertelde Bobonne me altijd. En daar zij er nu niet meer was mocht ik er slapen, alleen in dat grote bed en niet meer in die veilig omheinde houten bak, daar was ik nu al te groot voor. Het was een zwaar metalen bed met een koperkleurige plaat aan het hoofdkussen die enge geluiden maakte wanneer je in het bed bewoog. ‘Boiiii-eng’, een dof metaalachtig geluid dat stilletjes nazinderde en leek op gehuil.
Achter het bed, in de schemering van het zware gordijn, stond op een marmeren kastje een reuzenbeeld. Een buste met een langharige Jezus keek me star aan. ‘Hij zou wel over me waken’, dat zei ze toen ze me nog een kruisje gaf. Zijn ogen waren griezelig diep en ik hield er helemaal niet van dat hij over me waakte. Ik durfde nog niet opstaan om te gaan plassen en zelfs mij omdraaien in bed was al een heus avontuur.

Ik lag steeds op mijn zij, richting de grote houten kast, weg van de muur met de gigantische bloemen in verschoten kleuren. Het was de kast die mij het meest interesseerde. Hij bedekte de hele rechtermuur van de kamer vanonder tot boven en blonk altijd, alsof iemand hem iedere nacht kwam boenen. Ik lag stil in bed en fantaseerde over die kast, over de schatten, zeer oude boeken, documenten, misschien wel schatkaarten of spullen vanuit de oorlog, want daar had mijn grootvader het wel eens over. Ja dat zou wel kunnen. Dat hielden ze allemaal voor mij verborgen. Ik mocht er nooit in kijken. Pas wanneer ik oud genoeg zou zijn, zou mijn grootvader ‘Peter’ me de sleutel wel eens geven.

Op een dag had ik hem betrapt met de sleutel in de hand toen hij mijn kamer wilde verlaten en ik geeuwend binnenstapte, net klaar om te gaan slapen. Hij borg hem snel in zijn grote dikke hand, maar ik zag nog net dat het een akelig zwarte sleutel was; bestaande uit twee kronkelende slangen die naar boven kropen en elkaar opaten. Hij gaf me een zware prikkelende baardzoen en ging naar beneden. Met bonkend hart keek ik hem vanuit de deur van de kamer na, ik wilde weten waar hij de sleutel verborg. Hij keek niet om want zocht steun voor zijn logge lijf tegen de trapleuning. Voorzichtig zette ik één voet de kamerdeur uit en dooptemijn vingers in het wijwater, als zou het me moeten beschermen tegen de zonde die ik beging.

Zo volgde ik hem in stilte, de afgrond in.

Achter het muurtje van de trap, keek ik angstig toe hoe hij de sleutel wegstopte. Hij verborg ze achter een stilleven van een mandje fruit, geschilderd door mijn betovergrootvader, een beeldhouwer en schilder die nog les gaf op de academie in Mechelen en graag optrad in cafés als notoir moppentapper.

Nu moest ik enkel nog die sleutel zien te pakken vanachter het schilderij, maar dat was voor mij al even erg als het plukken van de appel uit het Paradijs. En een Eva was er nog niet om me een handje toe te steken. Slapen lukte niet.

 

 

Bevangen door het verlangen naar het geheim achter die kast, maar ook gevangen door de verwijtende blik van de baardige man aan het voeteneinde. Ik bad braaf tot ik in slaap viel. Zo was dat toen.

Pas lange nachten later durfde ik aan mijn grootmoeder Bobonne, terwijl ze wafeltjes voor ons en de buren bakte, te vragen wat het geheim was van die kast, en ze antwoordde, luid genoeg: ‘Och, niets, er zitten alleen prullen in, oude prullen.’

‘Prullen?’ herhaalde ik teleurgesteld.

‘Prullen!’ bulderde de basstem van Peter, die in de woonkamer allerlei langspeelplaten sorteerde. Hij stond kwaad recht. Bobonne zuchtte even, keek me medelijdend aan, hief haar schouders op en stopte de deeglepel in mijn mond. Enigszins getroost likte ik het heerlijke gele deeg van de lepel. De kom was bijna leeg en alle goudkleurige wafeltjes lagen netjes verspreid op tafel, ik mocht haar hierbij helpen. Iedereen was dol op haar wafeltjes, wanneer zij bakte rook heel de wijk naar de zoete geur en ik mocht ze als eerste voorproeven. Ze deelde de wafeltjes maar al te graag uit. Ja, zij was graag gezien.

Plots ging de keukendeur open, groots en plechtig stond mijn Peter in de deuropening. Hij had een  goudblinkende beker van wel twee meter hoog vast. ‘Kijk deze heb ik gewonnen toen ik verkozen werd tot beste amateurzanger van België en dat met het nummer Jeruzalem the holy city’. Hij begon terstond een stukje te zingen, zijn stem galmde luid, maar mooi, als een versleten crooner die wist waar hij over zong. Hij stopte, ‘In die prullenkast’, en hij wees met zijn vinger naar boven, ‘staan meer bekers en medailles dan in heel Mechelen bijeen, prijzen van meer dan 2000 optredens, mooi bewaard in die oude prullenkast!’ en hij keek hierbij streng naar ons Bobonne, die snel wat deeg tussen de ijzers klemde.

 

Mijn handen waren te klein om het behoorlijk vast te houden dus hield Peter het maar vast. En terwijl hij vertelde over de Crochets waaraan hij meedeed, Old Man River zong en 250 1ste prijzen won, blonk ik van trots voor deze oude geblokte man die de kinderen in de wijk  ‘den dikke’ noemden. Daar huisde werkelijk een schat, daar waar ik mocht slapen. Ik durfde niet vragen of ik het mocht vasthouden en de rest kon zien, maar ik bleef verlangen en ik wilde de rest zien, ik wilde alles zien…elke nacht opnieuw had ik een reden om te dromen.
Ook nog na lange tijd, toen de ‘prullenkast’ geen geheimen meer voor me had, bleven de trofeeën van mijn grootvader voor mij van onschatbare waarde. Spijtig genoeg niet voor de familie: toen hij te oud werd voor het huis en weg moest naar een serviceflat heeft men alles in dozen geborgen en weggebracht. ‘Men zou er op de rommelmarkt nog geen frank voor gegeven hebben’, hoorde ik een tante zeggen. Zo’n tante die beter wist waarom je ouders ooit uit elkaar gingen dan dat je zelf ooit zou kunnen achterhalen en die dit dan ook uitvoerig aan de buurt wist te vertellen. De dozen verdwenen, zij niet.

Wanneer oude mensen verhuizen, worden hun vergeelde herinneringen en souvenirs al snel bij ’t vuil gezet.

Mijn wereld stond stil toen ik dat hoorde, alles weg, ik ging bij Peter langs en vroeg hem: ‘Waarom?’

Hij zei niets. Hij had nog één doos staan, daar wees hij naar. ‘Zorg er goed voor’, zei hij, ‘dat is wat ik nog heb kunnen redden.’ Ik keek erin. Een doos met twee medailles, drie bekers, kleintjes, en een aantal krantenartikelen met zijn foto en zijn naam:

Raoul, beste amateurzanger van België … voor mij toch.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

captcha: *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>