De Fietsenmaker

Door 1 Reactie

Van het hok naar de weide

Vake was al op pensioen toen ik hem leerde kennen. Maar hij zag er nog goed uit, hij sportte veel en dat deed hij door dagelijks te fietsen; het Kempisch kanaal en omstreken kende geen geheimen meer voor hem. Hij had een eigen koersfiets, een “mast”, die hij zelf maakte in zijn fietsatelier achter het huis.

Ik was 6, hij was nu mijn opa. Mijn echte opa zag ik niet meer, ik wist zelfs niet hoe hij er uit zag, dat was al te lang geleden. Vake was de vader van mijn nieuwe vader. Ik was nog jong toen alles gebeurde, ik woonde al een tijdje alleen met mijn moeder en nam gewoon aan wat ze me zei – een naïviteit waar ik me soms nu nog op betrap. Ja,  je kan me haast alles wijsmaken, behalve natuurlijk  wat ik voel.

‘Dit is nu uw nieuwe pappa’, zei m’n moeder. Als kind ben je ontzettend flexibel en als hetgeen in de plaats komt, meer rust en structuur brengt, ben je al snel tevreden. Een goed en misschien te zacht man kwam in de plaats en zijn ouders werden mijn nieuwe grootouders.

Vake was een man van weinig woorden. Hij was een doener en wilde mij introduceren in de fiets en zijn edele technieken. Ik vluchtte dikwijls naar buiten, ondanks zijn goede bedoelingen. Ik liep liever mijn moeke achterna. Zij tapte het sap van de berkenboom ‘om er uw haren mee te wassen’ zei ze dan, ‘wauw kan dat?!’ En dan ’s avonds bij de ondergaande zon in een zinken wasketel doopte ze mijn haren in de reinigende olie. Zalig was dat. Om te eindigen met een bord “netelstoemp”  vers geplukt en smaakvol naar binnen gespeeld.

Zo vulden beiden hun dagen in een door mijn vake zelfgemetst huis, aansluitend op een doodlopend straatje dat verdween in een reusachtig bos. De tuin was een weide met links de fruitbomen en rechts de groentetuin. Ik had er al snel een eigen tuintje om samen met m’n neefjes te onderhouden. Hoe dan ook als jochie kon je je er helemaal uitleven in techniek of natuur.

Eén groot nadeel had deze locatie wel; het lag vlak onder een reusachtige elektriciteitsmast. Dat dit niet zo gezond zou zijn daar hadden wij geen weet van, niemand maakte er zich alvast zorgen over. Net zoals er nu nauwelijks gereageerd wordt op het veelvuldig gsm- en ander data verkeer dat zich door de huizen en wijken boort.

M’n oudste neefje en ik gebruikten de mast als klim – en stuntpaal. Klimmen tot we niet meer hoger konden en uitkeken naar hardrijders, die we vatten met onze bmx-en.  Op het daaronder groeiend bergje mos lieten we ons vallen terwijl we ons voordeden als “Alias Smith and Jones”, hun paarden bestijgend of  met revolvers zwaaiden als John en Ponch uit “Chips”. Om ter eerst crosten we van de omheining van de oprit naar het bergje mos, waarna we het bergje gebruikten om op één wiel te starten en zo lang mogelijk verder te rijden. Wie het verste terechtkwam was gewonnen. Zo werden elke dag nieuwe grenzen verlegd.

Vlak naast het huis was hun tuinterras, afgebakend met een stenen muurtje van de rest van de weide, een stukje rust van schaduw voorzien door een enorme treurwilg. Een mooie uitdeinende boom die het hele plaatje groen en idyllisch maakte, en zo waren ook die zomers bij Vake en Moeke.

De natuur trok me meer aan dan dat eerder donker hok waar Vake zich urenlang nestelde en vanaf het frame fietsen in elkaar stak. En toch, het materiaal, de haken in’t plafond en het vooruitzicht dat zo’n stalen geraamte hangend in de lucht binnenkort wel eens mijn nieuwe fiets zou kunnen zijn, fascineerde me. Van niets naar iets, omdat je eraan begon en je een grootvader had die je daarin kon helpen.

Dat was ook de  voorwaarde, ik kreeg een nieuwe fiets voor mijn communie, maar dan moest ik hem  zelf in elkaar zetten. En dat was nog niet zo makkelijk: eerst die kogeltjes soppen in’t vet, de trapas in elkaar steken, het stuur met z’n balhoofd juist plaatsen en het moeilijkste van al, de spaken spannen tot er geen ‘slag’ meer in zat maar je wiel mooi recht liep.

Het leek allemaal Chinees voor me maar ik wilde me niet laten kennen en observeerde zolang mijn aandacht het toeliet de nauwgezette fijn berekende handelingen van mijn Vake.

Fatima

Bij hen woonde ook nog hun geadopteerde dochter ‘Fatima’, die toen volop in haar puberteit zat. Zij luisterde naar platen van Prince, Madonna, Tears For Fears en vooral The Police. Zij verbleef het meest in haar kamer, rebellerend, schrijvend en platen draaiend. Als Vake weer eens naar de koers zat te kijken mocht ik soms mee op haar kamer. Zij speelde de plaatjes op een kleine pick-up en leerde me enkele dansbewegingen:

‘Ge wilt u later toch niet belachelijk maken als ge met de meisjes gaat dansen hé?’ grapte ze, na één van mijn ongeorkestreerde moves.

Ze was een flamboyante ‘tante’ met Frans/Algerijnse roots die ook af en toe haar gal durfde spuwen maar daarna weer erg lief en teder kon zijn. Wat me het meest bijbleef van haar uit die periode was haar dagboek, af en toe las ze er zelfs uit voor. Als een voorloper van de blogger, deelde ze reeds kleine persoonlijke dingen. Ik luisterde met open mond: ‘Is dat echt gebeurd?’

‘Maar nee zotteke, ’t fijne aan schrijven is juist dat ge kunt fantaseren, ge schrijft wat er in u opkomt en maakt er uw verhaal van’
‘Maar ’t is een dagboek?’
‘Een dagboek moet daarom niet echt gebeurd zijn, het kan tegelijk fantasie zijn en een deel van u,
‘t is hoe gij de dingen ziet, das pas een echt dagboek.’ Ik keek verward toe.

Die mooi bruine tante van me gaf me iets waardevols mee, ook ik begon een dagboek bij te houden. Want alles kon. Dat leerde ze me. En dat klopt, als je maar schrijft wat er in je opkomt, dan wordt het een deel van jouw realiteit.

Groeien

Hoe dan ook noch schrijver noch het minst van al fietsenmaker was ik. Bouten zoeken, schroeven vastdraaien ‘maar niet te vast’, het was een hele opgave, waarvan ik toen nog niet echt het nut zag.  Het was een “record” frame dat mijn eerste echte grote jongensfiets zou worden.

Ik wisselde logeerpartijtjes af tussen mijn nieuwe grootouders in Balen en m’n bobonne en peter te Bonheiden. Dit in een periode dat je zag dat een moeder en vader wel gelukkig konden zijn en de wereld van de liefde een nog vreedzaam mysterie leek. Niet meer dan enkele momenten van afwezigheid en onschuldige dromen over een Eva, het mooiste meisje van school, één jaar lager, veilig en op afstand. Het enige waar ik me echt zorgen om moest maken was hoe ik die fiets rijwaardig zou krijgen tegen dat de school terug begon.

Gelukkig was Vake een edel man. Als hij zag dat ik de techniek verlaten had om de natuur rondom te ontdekken sleutelde hij stilletjes verder en stopte daar waar hij dacht dat zijn nieuwe kleinzoon wellicht verder kon.

Die vakantie zagen mijn handen zwart van het fietsvet, m’n kleren groen van het klauteren en blonken mijn haren van het sap van de berkenboom. Dat had ik nodig om te kunnen groeien. Dat en het vooruitzicht dat alles verandert.

 

One Comment

  1. Net “fietsenmaker” gelezen. Leuk verhaal! Vlot geschreven met een nostalgisch kantje aan! Eén van je talenten die ik (nog) niet kende!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

captcha: *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>