GOD

Door Laat een reactie achter

Eerste deel van een kortverhaal over een stand-up comedian, op zoek naar…

Deel 1

 GOD

God gaf hem humor om zichzelf te redden. Maar dan met een gitzwart randje. De gal spoot van de bühne en ook zijn publiek werd steeds donkerder. De gothic porn van de humor.

In zwart maatpak stond hij op de bühne, fulminerend over het waarom van een carbonfiets en melancholisch over de tijd toen fietsen nog van staal waren, met een achteruittraprem. De tijd ook waarin hij nog misdienaar was en waar hij na de zoveelste miswijn naar binnen te hebben gewerkt achterover viel met een gat in zijn hoofd. Een abrupt einde van zijn carrière als misdienaar dat misschien nog zijn redding was. Waarna hij vertelde, al kauwend op een binnenband, over aardbeien oogsten in de winter.
‘Aardbeien likken in de winter is een pure decadentie voor omhooggevallen peren die de band met de natuur verloren zijn. Ze likken aan waterballonnetjes, zoals ze zich vergrijpen aan de opgespoten lijven naast hun in bed!’
Stilaan raasde hij naar de climax over het teveel aan bullshit op televisie, waar hij maar al te graag aan meedeed omdat het nu eenmaal hot maakte en je zo jezelf beter kon verkopen, als beeldbuisprostitué.
‘Als ge u maar laat zien, net zoals geschoren ledematen, een lul die gestript is en van de kou in zijn hol kruipt.’ Hij lachte en rukte plotseling zijn kostuum uit, roepend in vol ornaat: ‘Zie mij hier staan, de geschoren zak!’ Waarna hij de lagere ledematen meteen omwikkelde met zijn voorgekauwde binnenband.

Stilte. Een gêne. Enkele mensen kuchten. Niets. Een deel verliet de zaal. Hij raasde verder, diepte snel een oude mop op. Gelach. Zo hoorde het.

Lang bleef zijn populariteit niet meer duren. Uiteindelijk kwamen enkel nog de die hard fans. Zij die hem ergens leken te begrijpen. Voor hen deed hij het. Het overschot, het uitschot. De rest, de meelopers, lachten omdat anderen erom lachten; omdat het in was. Zolang het maar niet teveel prikte, zoals wassen zonder zeep. Als het te hard stonk dropen ze af. Eigen schuld, dacht hij dan.

In televisieprogramma’s werd hij gevraagd om politici en BV’s, Bekende Vlamingen, in hun blootje te zetten en samen met hen kraakte hij maar al te graag ook de media af die hem bekend maakten. Geschreven interviews stond hij niet toe. Hij wilde niet een van die BVS’en worden: Bekende Vlaamse Slachtoffers met hun privéleven geëtaleerd in één of ander roddelboekje.

“Today I may be mad, tomorrow I may be dead.” Zo leefde hij. Steeds meer verloor hij z’n diepste innerlijke drijfveren. Alles leek te vervagen. Het waarom met enkel nog een daarom. En niet meer. Deze komiek – PJ, nar van de goddelozen – hield hen een spiegel voor zonder bodem. Wat had hij er zelf nog aan? Humor spugen alsof het vies was, rauw en onverteerd. Wat hij vertelde was geen grap meer. Het was leed dat kraakte en zich in de meest pijnlijke vorm overgaf. Tijdens zijn jonge jaren was hij nog begeesterd door Toon Hermans, de man van de lichte lach en zijn woordspelletjes. Subtiel en doordacht vermaak voor volle zalen. Ook Marcel Marceau was een van zijn idolen. De eerste echte theatervoorstelling die hij met zijn moeder en stiefvader zag. Hij werd helemaal betoverd door het doorkijkuniversum dat deze kunstenaar creëerde.

Ondertussen was hij ver verwijderd van de finesse en de speelsheid waarmee zijn idolen de harten van hun toeschouwers raakten. Nu waren het andere tijden. Een dikke laag eelt overwoekerde de sentimenten. De media vertegenwoordigden de wereld en toonden alles wat zij wilden tonen. Van de kleinste clan tot de grootste ramp. Alles passeerde de woonkamer. Meer en meer werd realiteit fictie en fictie realiteit. Tenzij je hen keihard in de maag schopte. En hoe harder je trapte, hoe gevoellozer ze werden. Zo was het ook bij hem. Toen een criticus schreef dat hij wellicht de meest goddeloze van de nieuwe goden was en zich afvroeg of die man nog wel een ziel had, begon hij te twijfelen. Ben ik zo erg veranderd?

En twijfel is dodelijk. Vooral voor iemand die het van zijn snelheid en helderheid van geest moet hebben; van zijn improvisatietalent en een tong die zich spontaner ontrolt dan die van een gifkikker. Dat mocht hem niet overkomen. Twijfel kon hij missen als kiespijn. En toch… Het zaadje was geplant door die man van de krant. Hij was niet echt; zonder ziel…

‘Mag ik je nek even zien?’ 
Hij toont hem zijn nek.
‘Niets. Zie je wel? Kom, ga nu maar slapen. ’t Is genoeg geweest!’

Elk uur schreeuwt hij wel eens tegen hem, om te controleren of hij wel echt is. ‘En mama? Is die niet gebeten?’ De man slaat de deur dicht. Kleine PJ neemt de rozenkrans die hij van zijn oma heeft gekregen en begint te bidden.

PJ was nog maar vijf toen zijn ouders uit elkaar gingen en zijn vader voorgoed van de voorgrond verdween. Sindsdien werd zijn wereld vooral door angst en vragen beheerst. Toen er even een andere vader in zijn leven kwam, dacht hij dat het een alien was. Lang duurde het niet voor hij weer alleen met zijn moeder was.

s’ Nachts staarde hij vaak urenlang angstig voor zich uit. Wachtend tot een ruimteschip hem over zou beamen of op het moment dat één of andere halfnaakte endorfine engel hem zou komen “redden”. Een beetje lichtschijnsel op het plafond was vaak al genoeg om het hele gebouw bij elkaar te krijsen en nogmaals een preek van een uur te moeten aanhoren dat alles in orde was, dat er niets te vrezen viel.

Zo ging hij al op heel jonge leeftijd regelmatig te biecht in de kerk. Een vaste klant. De oude norse priester, die slaapdronken in zijn biechthok zijn klaaggebeden aanhoorde, was een soort psychiater voor hem en PJ zijn favoriete biechteling. Dan dronk hij net iets minder om toch maar niets te missen van zijn verhalen. Tot Gods dienaar het echt niet meer aankon en, met een zakdoekje voor zijn mond, om het niet uit te proesten, zei: ‘God heeft je veel fantasie gegeven mijn jongen… het is een gave en met zulke talenten moet je iets doen volgens de Bijbel, misschien helpt het je wel… en kun je er anderen blij mee maken…’
De lach van de priester galmde nog na toen de jonge PJ de kerk verliet. Het deed hem iets, die sombere priester zo horen lachen. Deze schijnbaar banale gebeurtenissen waren beslissend voor het verdere verloop van zijn carrière. Vanaf zijn tiende schreef hij alle dagen boeken vol. Vanaf zijn twintigste begon hij ze te gebruiken, als één groot archief vol absurde verhalen en grappen. Maar hoe hij zijn verleden ook trachtte te verwerken, het maakte hem nu niet meer aan het lachen.
Laat staan dat hij er vrolijk van werd.

Het volledige verhaal vind je terug mijn kortverhalenbundel “zeven nachten zonder”, te verkrijgen bij boekscout.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

captcha: *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>